’Ik tuinier nu veel bewuster’
’Ik tuinier nu veel bewuster’
De leden van tuinclub ’Natuurlijk Goed’ komen elke maand bijeen. ’s Zomers bezoeken ze tuinen, en ze maken ook altijd een tuinenreisje van een paar dagen. „Je leert van elkaar. Dat is het leuke van zo’n club.”
„Het is nu droog, dus laten we maar meteen de tuin in gaan”, stelt gastvrouw Annie Pohlmann voor. De wind giert langs het stadshuis in Hengelo, maar daar malen de zeven warm en waterdicht geklede vrouwen niet om. De leden van de Enschedese tuinclub ’Natuurlijk Goed’ zijn voor de voorjaarstuin gekomen en die zullen ze zien ook.
Pohlmann wijst met een stokje de verschillende planten en bloemen aan: de bijzondere Fritillaria radeana met zijn groengele bloemen, de geurende winterkamperfoelie en de bijzondere hartjes van de honderden Helleborussen die in dikke pollen staan te bloeien. Ze vertelt intussen over de herkomst van planten en noemt verkoopadressen. De kladblokjes komen tevoorschijn en al luisterend en kijkend noteren de tuinvrouwen bloemennamen en tuintips. De meeste hebben de tuin al eerder gezien, desondanks zijn de oh’s en ah’s niet van de lucht.
Wanneer de groep anderhalf uur later aan de thee met scones zit, vertelt Jeannette Oudejans, voorzitter van ’Natuurlijk Goed’, dat de club in maart vaak de tuin van Annie bezoekt. „We doen elke maand iets met de tuinclub, en in maart zijn er niet zoveel tuinen te bezoeken, dus Annie is regelmatig aan de beurt. Maar we gaan ook wel naar de Helleborus- of Sneeuwklokjesdagen.”
Twaalf jaar geleden werd Natuurlijk Goed opgericht. De leden hadden elkaar leren kennen tijdens een IVN-cursus Natuurlijk Tuinieren. Ze sloten de cursus af met een fietstocht langs diverse open tuinen en daar werd het idee geboren om een tuinclub op te richten.
Oudejans: „We hadden al een groep mensen van wie de neuzen in dezelfde richting stonden, mensen die belangstelling hebben voor een natuurlijke tuin. Bij de oprichting heeft iedereen opgeschreven wat hij of zij van de tuinclub verwachtte en het leuke is: de dingen die toen werden genoemd, doen we nog steeds.”
Het tuinjaar begint in januari met een etentje. Iedereen neemt iets mee, bij voorkeur gemaakt van ingrediënten uit eigen tuin. Want steeds meer leden hebben inmiddels een moestuin. Daarna organiseert telkens iemand anders de maandelijkse bijeenkomst.
Oudejans: „In februari doen we bijvoorbeeld iets creatiefs, zoals bloemschikken of vogelbakjes maken van groot hoefblad. Maar we hebben ook wel eens een lezing of we bezoeken een kwekerij. Later in het jaar bezoeken we veel tuinen. En we maken ook altijd een tuinenreisje van twee of drie dagen.”
Als gevraagd wordt of ze na zoveel jaar nog wel tuinen vinden die een bezoek waard zijn, moet de groep luid lachen. Ze hebben eerder te veel tuinen. In februari doen de leden suggesties voor het jaarprogramma en daarvan valt zo’n tweederde weer af omdat de tuinclub er niet aan toe komt.
De clubleden benadrukken dat ze een divers stel zijn. De achtergronden zijn totaal verschillend, hun tuinen variëren van postzegelformaat tot forse lappen rond een boerderij, en de leeftijd van de vijftien leden ligt tussen de 40 en de 82. Maar het zijn wel allemaal vrouwen. Oda Jongsma vertelt dat ze één man hebben gehad en dat die erg werd vertroeteld, maar dat ze hem niet voor de club hebben kunnen behouden. Sociaal zijn ze ook. Is iemand ziek of slecht ter been? Dan komen de andere leden onkruid wieden of ze helpen met snoeien.
Voor nieuwe leden geldt wel een soort ballotage, waarschuwt Oudejans. Ze legt uit dat de clubleden allemaal verwoede tuiniers zijn met een behoorlijke plantenkennis. „’s Winters lezen we ons suf en als iemand een goed boek ziet, wordt de tip meteen doorgegeven. Nieuwe leden moeten diezelfde instelling en kennis hebben, anders haken ze toch af. Dus daar letten we op.”
Monique Bijlsma hoorde niet bij de oprichters, maar kende wel een aantal leden, waardoor zij makkelijk lid kon worden. Waarom ze zich aansloot? „Ik heb een kleine stadstuin en wilde zien hoe andere mensen daarmee omgaan. Ik hoopte in de tuinclub inspiratie op te doen. Dat werkte: het tweede jaar is mijn tuin op de schop gegaan en stukje bij beetje heb ik hem anders ingericht. Het leuke is dat je pas tijdens tuinbezoeken ontdekt wat je leuk vindt. Die dingen ben ik in mijn eigen tuin gaan toepassen en ik tuinier nu veel bewuster. Je wordt ook kritischer en koopt niet meer alles.”
Even later staan ze weer buiten – ondanks aanhoudende miezerregen. Ze buigen zich over het bloemetje van het vogeltje-op-de-kruk (Corydalis solida) dat Pohlmann heeft geplukt. Ze loopt door en waarschuwt om nooit aan de knoppen van de pioen te komen (dan gaan ze niet meer open). „Die tip had ik vorig jaar al opgeschreven”, mompelt een van de clubleden terwijl ze door haar schriftje bladert.
Een andere tip – over de Euphorbia – is met succes opgevolgd. „Ik heb het precies zo gedaan als je had gezegd, en hij doet het nu prachtig”, klinkt het enthousiast. De anderen knikken instemmend. De stadstuin van Pohlmann is duidelijk zeer inspirerend. Jongsma: „Hier zie je hoe je op een klein oppervlak veel verschillende planten in bloei kunt hebben, ook vroeg in het jaar. Maar je leert ook van elkaar. Dat is het leuke van een tuinclub.”
© Trouw 2010,
.jpg)
.jpg)